|
| De dichtbundel is te koop
Maak €15,00 over op giro 1900734, t.n.v.
M. Westervaarder, Den Haag en vermeld daarbij duidelijk je naam en adres, dan krijg je de bundel zo snel mogelijk toegestuurd.
|
|
| POËZIE
In 2000 verscheen de dichtbundel “lichaam van water in de zee”.
Een doorzichtig doosje met 29 gedichten op losse kaarten plus 5 kaarten van beeldend werk. Hieronder volgen eerst 2 gedichten uit de bundel.
Vervolgens 5 ongepubliceerde teksten die tezamen een eenheid vormen.
alleen maar grijs de lucht
en laag en nat en niets
een zwaar gewicht over het brede land
beesten bewegen niet
in ingeklonken huizen de boeren
hun vrouwen met de dikke armen
hun dochters met de stapels linnengoed
voor later
zonen met opgevoerde brommers
schuwe ogen
kale elzen langs de sloot
regen en afgepaste uren
moeder
brei een warm hemd voor mij
- - - - - - - - - - - - - - -
ik ben zo klein
je kunt me in een zakdoek dragen
vier punten in je hand
en ik lig in mijn wieg
- - - - - - - - - - - - - -
I
de mannen, de jongens
ze dragen de moederhanden
nog in hun haar
de zachte handen
die krullen draaiden
hun kraagje schikten
die hen zo blond maakten
zo argeloos,
ze dragen nog hun witte buik
hun nesthaarvacht
en hoe zijn smalle borst
haar ogen zoekt
zijn rug een schut vindt
in haar bekken
hoe hij haar neurie
rond zijn schouders weet
hoe zij, hoe hij
hoe op een dag het bed
vol zwarte lakens lag
hoe nergens meer een plek was
om zich rond te leggen
|
|
II
wat altijd al te wachten lag
geen daglicht zag
alleen de binnenzijde van de bast
de schoot die haar omsloot
ze hoopt dat hij haar vinden zal
haar wit getal
het cijfer nul
de omega
|
|
|
|
|
III
beboterd dode vogel wil wel opvliegen
één klapwiek naar haar borst
en schuilen
dat hij daar in haar holte
mag liggen
en altijd
geen afgerukte vleugel
geen leeggelopen bloed
en zij, de vrouw
zij heeft ze gespaard,
de zachte veren van haar borst
voor als hij komen zou
dat er een nest zou zijn
voor hem, voor haar
|
|
IV
en in de huizen de vrouwen
met gele stofdoeken jagen ze
naar spinnen, kraaien,
zwarte nesten,
naar al wat broeden wil
wat ademt
ze bakken cakes
ze houden goede moed
ze wassen en ze strijken zich
ze dragen zichzelf in een handtas mee
|
|
|
|
|
V
en dat uit alle struiken en greppels
de honden komen
om alarm te slaan,
hun achterpoten spannen
en zwaaien met hun kop,
hun tanden zetten
in stokken en takken
geel in hun ogen
wondkoorts in hun bek
dat alles wat ontkend moest
en vergeten
zich schuil hield in verharde huid
wordt aangeraakt
dat alles vraagt om gesel
om te breken
dat alles breken wil
om water te worden
om weer water te worden
dat ik weer water word
en vloei
|
|
|
terug
|